
Bestel het boek hier!
Joris’ debuut familieroman:
Iedereen houdt van Oekraïne – niemand van de Oekraïners
Boekscout, Soest.
Preview van het boek:
Een fragment uit het hoofdstuk: ‘Kapluniwka: de teloorgang van een dorp.’
Op een keer, als Andriy weer even thuis is, neemt hij Melania mee naar Bohoduchiw om inkopen te doen voor hun uitzet. Vader Serhiy biedt hen een rit aan op zijn grote reiskar.
Verschillende mensen verkopen hun schamele spullen langs de weg. Op de markt staan maar weinig kraampjes.
Ze worden aangesproken door een vrouw met een donkere hoofddoek waar zwart krulhaar onderuit steekt. “Jullie zijn een leuk koppel. Zal ik jullie de toekomst voorspellen?”
Andriy weert de opdringerige vrouw af. Ga weg zigeunerin, wil hij zeggen, maar hij houdt zich in. Hij richt zijn blik naar zijn Malanka en ziet haar vertwijfeling. Natuurlijk wensen ze hun toekomst te kennen, dat wenst toch iedereen die op trouwen staat.
“Ik geloof niet in al die voorspellingen. Een nerts die met zijn snuit een briefje uitpikt dat je op voorhand hebt beschreven, dat kan ik ook aan mijn kat leren,” snoeft Andriy.
“Neen, neen, ik zal de kaarten leggen,” verdedigt de vrouw zich, “of de hand lezen, maar daarvoor moet je wel meer betalen.”
“Ik heb niet meer dan een kopéke te besteden”, liegt Andriy, “en we hebben haast.”
De vrouw loodst hen binnen in haar woonwagen. De ruimte is gevuld met goedkope parafine- en oude petroleumlucht. In het schemerlicht tovert de vrouw, nu met losse krullen, een spel verlepte kaarten boven. Het koppel zet zich op de bank aan het tafeltje, terwijl de zigeunerin de kaarten schudt. Ze legt ze op een hoopje en vraagt aan Melania om de stapel even aan te roeren met haar rechter handpalm. Dan neemt ze de bovenste kaart en draait die om; de volgende legt ze ernaast en zo vormt ze twee rijen.
Andriy bekijkt het tafereel sceptisch en grinnikt.
Malanka krijgt het warm en benauwd; ze vertrouwt de rare vrouw niet en voelt zich ongemakkelijk als ze hoort hoeveel kinderen ze zal baren. Ze is er nog niet aan toe om zwanger te zijn. De waarzegster kijkt haar diep in de ogen en besluit wijselijk niets verder te vertellen.
Andriy is tevreden: zijn Malanka is vruchtbaar en gaat niet het lot van zijn zuster Maria tegemoet, die het leven liet bij het baren van een zoon. Meer hoeft hij niet te weten.
Melania daarentegen vindt het eigenaardig dat de waarzegster zich slechts tot één voorspelling beperkte en hen daarna wegjaagt uit de woonwagen, terwijl er nochtans twee rijen kaarten lagen.
“Eén kopéke, één voorspelling!” roept de vrouw hen na.
“We kunnen ons geld beter gebruiken,” troost Andriy zijn Malanka. “We zijn hier gekomen voor serieuze dingen en laten ons niet in de war brengen door leurders en zigeuners.”
Een eeuwigheid later bevestigde mijn grootmoeder, dat de zigeunerin de waarheid had gesproken en kies genoeg was om de dood van enkele kinderen te verzwijgen…
Een fragment uit het hoofdstuk: ‘Duitsland en de nasleep van WO II’
De volgende dag worden de vrouwen heel vroeg in de ochtend door Herr Goosens verzameld op het pleintje naast het gebouw. Ze moeten in twee rijen staan voor het stalen hek en zwijgen. En dan komt de strenge Dolmetscher aan, dezelfde als de dag voordien. Ze zullen hem nog vaak te zien krijgen. De man blijkt verantwoordelijk te zijn voor een enorm aantal ‘Fremdarbeiter’ uit het oosten. Hij is het die zorgt dat alle ‘bestelde’ werkplaatsen worden ingevuld in de Dahlbush koolmijn en in de DELOG.
De Dolmetscher legt nogmaals het reglement uit aan de nieuwkomers. De vrouwen mogen deze woonplaats nooit verlaten, behalve om naar het werk te gaan, en dat ten behoeve van hun eigen veiligheid. Later zullen ze meer bewegingsvrijheid krijgen, belooft hij, als ze zich maar voegen.
Twee vrouwen worden gevraagd om een kist af te halen uit de vrachtwagen die geparkeerd staat op het binnenplein. Uit de kist haalt de man een vierkanten doek en loopt ermee langs de rijen. Hij toont demonstratief de witte lap met een blauwe, vierkante afdruk die enkele letters omkadert. Dat is het ‘OST’ insigne. Hij legt uit dat de vrouwen vanaf morgen allemaal het ‘embleem’ duidelijk zichtbaar op hun borst dienen te dragen, zodat iedere rechtschapen Duitser weet met wie hij te doen heeft. Enkel zo kunnen ze langs de poort naar buiten. Het is hun paspoort, hun vrijgeleide. Als ze op straat zijn, moeten ze steeds in het midden van de weg lopen; de stoep is enkel voor de ingezetenen van de streek. Achter hun kamp is een prieeltje; begroeid met gras en er staat een bankje. Aan de overkant ervan, afgescheiden door een haag en prikkeldraad, loopt een smal pad. Terwijl de Duitser hen nog wat uitleg geeft, zien de meisjes hoe onverwacht twee rijen mannen langs het wandelpad schuifelen. Ze houden halt bij hun poort. De magere mannen zijn in lompen gehuld. Aan hun voeten dragen ze zware, gesloten klompen. Ze houden zich vast aan een dik touw, dat de buitenkant van de rijen afsluit. Ze stappen alsof ze door die touw geketend zijn.
De Dolmetscher deelt enkele bevelen uit. Het is ten stelligste verboden om met de gevangenen enig contact te onderhouden. De meisjes dienen de mensenketting te volgen, twee aan twee in een lange rij. De rijen komen in beweging. De stilte wordt doorbroken door de kakofonie van het geroffel van de klompen op de straatstenen. Ook hun houten slippers dragen bij aan het getrommel. Zo stappen ze voor het eerst in de richting van hun werkplaats. Later zullen ze te horen krijgen dat de mannen die ze voor zich zien, ‘plenni[1]’ zijn, Sovjet-Russische krijgsgevangenen. Hun kazerne bevindt zich ver achter hun kamp. De toeschouwers op straat kijken nieuwsgierig en ingehouden naar de miserabele processie. Hier en daar lachen en schelden enkele jonge schelmen.
Helden op sokken, denkt Maria. Nu zijn die kwajongens dapper, omdat ze aan de andere kant van de straat staan, maar ik ben dapperder omdat het mij niet deert wat ze doen of zeggen. Zo houdt Maria zich sterk.
Terwijl de vrouwen naar de DELOG afslaan, lopen de plenni door naar de koolmijn.
[1] Plenni: Russisch voor ‘krijgsgevangenen’.